Hubertusklauwen

Een Hubertusklauw, ook wel wolfsklauw , is een rudimentaire vijfde teen aan de binnenzijde van de achterpoot van een hond. De term wolfsklauw is minder juist omdat deze teen bij wolven niet voorkomt. Ook veel honden worden zonder Hubertusklauwen geboren, eigenlijk gaat het om een erfelijke afwijking, het zogenaamde meertenigheid.

Deze afwijking komt ook bij mensen voor en heet polydactylie, meestal gaat het dan om een extra pink, maar ook extra duimen of tenen komen voor.

De Hubertusklauw zit net boven de voet en bestaat vaak alleen nog uit een nagel en één of enkele teenkootjes zonder normale verbinding met de poot. De nagel kan echter behoorlijk lang worden en in struiken of aan hekwerk blijven haken. Daarom wordt meestal geadviseerd deze klauwtjes tijdens de eerste drie dagen na geboorte te laten amputeren. Zo niet, dan zal de nagel geregeld geknipt moeten worden.

Sommige rasstandaarden staan geen Hubertusklauw toe, andere standaarden bevelen aan de teen te verwijderen. Bij enkele, meest Franse, rassen wil men niet slechts een enkele, maar zelfs dubbele hubertusklauwen zien.

Diskwalificatie door het ontbreken van of het hebben van een enkele Hubertusklauw komt o.a. voor bij de Pyreneese Berghond, de Beauceron, de Gos d’Atura en de Briard.

Bij de Mastin de los Pirineos is het hebben van een Hubertusklauw niet verplicht; wel wordt op een tentoonstelling bij honden van gelijke kwaliteit de voorkeur gegeven aan de hond met een enkele of liefst nog een dubbele Hubertusklauw.

Met het Engelse dew claw wordt niet alleen de vijfde teen aan de achterpoot, maar ook de normale vijfde teen aan de voorpoot bedoeld. Het is beslist niet gewenst deze teen te verwijderen.

Weghalen van Hubertusklauwen is eigenlijk amputatie maar valt binnen het coupeerverbod als het binnen 4 dagen na de geboorte gedaan wordt. Na 4 dagen is het dus verboden om ze nog te verwijderen niet anders dan op grond van medische noodzaak.

 

Het onderstaande artikel heeft met name betrekking op de Pyreneese Berghond. Gezien de overeenkomsten tussen beide rassen denk ik echter dat dit artikel ook op deze site tot zijn recht komt.

Hubertusklauwen pro en contra

Door Mr. K.V.Antal

De hond steunt met zijn vóór- en achterbenen op vier tenen op de grond. Aan de binnenzijde van de vóórbenen zit een eindje boven de grond een vijfde teen, die te vergelijken is met de duim bij een mens. Aan de binnenzijde van de achterbenen komt, eveneens boven de grond en deze niet rakend, soms ook een vijfde teen voor. Deze valt te vergelijken met de grote teen van de mens.

Deze vijfde teen wordt wel Hubertusklauw, wolfsklauw of bijklauw genoemd. Hierna zal alleen over deze vijfde teen aan de achterbenen worden gesproken.

 

In bepaalde gevallen is een dubbele en soms, doch zeer zelden, zelfs een driedubbele Hubertusklauw aanwezig.

 

Indien de raspunten de aanwezigheid van Hubertusklauwen niet eisen, is verwijdering daarvan dringend gewenst. Enkele dagen na de geboorte kan dit zonder enige moeite gebeuren. Een ervaren fokker kan het zelf, doch het is beter, deze ingreep aan een dierenarts over de laten. Op latere leeftijd houdt de verwijdering een kleine operatie in, die veel ingrijpender en daarom ook veel kostbaarder is dan het simpele afknippen kort na de geboorte. Verwijdering verdient aanbeveling, omdat de hond van deze aanhangsels wel last ( waarover aanstonds nader), maar geen voordeel kan hebben.

Sommige raspunten verbieden de aanwezigheid van Hubertusklauwen ( bijv. Komondor, Kuvasz, Tatra, Berghond van de Maremmen). Soms bevatten de raspunten hieromtrent geen opmerkingen ( bijv. Puli, Pumi en Nizinny). Soms schrijven de raspunten verplicht de aanwezigheid van Hubertusklauwen, zelfs van dubbele, voor (bijv. Pyreneese Berghond, Briard, Beauceron). In enkele gevallen wordt in de raspunten enige speelruimte gelaten. Bij de (kleine) Pyreneese Herdershond staat: “De (achter)benen kunnen al dan niet enkele of dubbele Hubertusklauwen dragen. Aangezien de Hubertusklauw een oud kenmerk is van rassen van schepershonden moet de voorkeur gegeven worden aan dieren met Hubertusklauwen”. (N.B.: deze tweede zin staat ten onrechte niet vermeld in de standaard in Toepoel’s Encyclopaedie.) Bij de Berger Picard is vermeld: “Geen Hubertusklauwen of extra tenen; een hond met Hubertusklauwen wordt niet gediskwalificeerd maar het wordt hem wel ten nadele aangerekend”.

Door eigenaars van honden met Hubertusklauwen wordt vaak gevraagd of deze mogen worden weggenomen. Het antwoord is, dat verwijdering ervan alleen maar aan de hond ten goede zal komen. Wie naar tentoonstellingen wil gaan, moet echter rekening houden met de standaard, die bijv. bij de Pyreneese Berghond als “eliminatoire” (uitsluiting ten gevolge hebbend) aangeeft: “Ontbreken van Hubertusklauwen; enkele Hubertusklauw of onvoldoende ontwikkelde (atrophié) dubbele Hubertusklauw”. Ten aanzien van het fokken heeft het operatief verwijderen van de Hubertusklauw geen enkele invloed op de nakomelingen. Wie de Hubertusklauw kwijt wil en toch wil fokken met een ras, waar deze vereist zijn (zie hiervoor), doet er wijs aan, om van de dierenarts een schriftelijke verklaring te verlangen dat zij aanwezig zijn geweest. Daar, waar tentoonstelling kwalificaties vereist of gewenst zijn voor het fokken moet de eigenaar die uiteraard zien te verkrijgen vóór hij de operatie laat verrichten.

In de literatuur, speciaal in de Franse – het gaat hier immers om een vooral t.a.v. Franse rassen voorkomend raspunt – is veel gediscussieerd over het vóór en tegen van de Hubertusklauw. In het algemeen kan men zeggen, dat er in de wetenschappelijke kringen een uitgesproken tegenstand tegen de handhaving van de Hubertusklauw als raskenmerk bestaat. De voorstanders zijn te vinden in de rasverenigingen en daar deze verantwoordelijk zijn voor de inhoud van de raspunten, wordt de aanwezigheid van de Hubertusklauwen nog in tal van standaards vereist. Hierna worden de belangrijkste argumenten vóór en tegen vermeld.

De argumenten vóór zal ik van kritische kanttekeningen voorzien. Ik kan deze aanhangsels niet anders dan als hoogst ongelukkig beschouwen.

 

 

Argumenten vóór

  1. De hubertusklauwen zouden beletten dat de hond in los terrein wegzakt. Ook wordt wel beweerd, dat de hubertusklauwen de hond zouden kunnen dienen om zich af te zetten bij de verdediging of werk voor de politie. Dit argument gaat niet op, daar de hubertusklauwen in het algemeen te hoog zitten om daarvoor van nut te zijn. Bovendien is de verbinding met de middenvoet te zwak, om daarop noemens-waardige mate het gewicht van de hond te doen steunen.
  1. De hubertusklauwen zouden een door eeuwen heen bewaard erfelijk kenmerk zijn van honden met hoedende eigenschappen. Dit is een onbewezen en onhoudbare stelling. Enig verband met hoedende eigenschappen is nooit aangetoond. Hubertusklauwen kunnen bij alle rassen voorkomen; dames-, herders-,jachthonden of wat dan ook. In tal van landen bestaan uitstekende nationale rassen van schepers of berghonden zonder dat daar ooit van enig verband is gebleken met de al dan niet aanwezigheid van hubertusklauwen.
  1. Opmerkelijk is de argumentatie pro, die erkent, dat het verwijderen van de hubertusklauwen de hond meer vrijheid van beweging geeft, doch die dat juist niet wenst: “Door te veel vurigheid en onstuimigheid boezemt de herdershond te veel vrees in bij zijn kudde. hij vermoeit de kudde en hij windt deze teveel op door hem te snel en te bruut te leiden. ” ( Aldus citeert met instemming Bailly- Maître de auteur E. Gayot; citaat bij Sédir, pag.44). Het is uiteraard juist, dat een schepershond niet te bruut moet optreden. De eisen, die men aan hem moet stellen zijn zeer hoog, zowel wat karakter en opvoeding, als ook wat lichamelijke bouw betreft. Het is evenwel dwaas om te denken, dat men fouten op het ene gebied ( te grote vurigheid) zou kunnen compenseren door fouten aan de andere kant ( de bewegingsvrijheid belem-merende hubertusklauwen). In haar omvangrijke boek over The Great Pyrenees uit 1949 heeft de Amerikaanse mrs. M.W.Crane ( pag.83) speciaal wat de Pyreneese Berghond in de USA betreft de volgende argumenten pro gebruikt.
  2. Het ras is gedurende eeuwen onveranderd gebleven; mogen wij dat veranderen zo kort na de introductie in de USA? Het antwoord luidt dat dit uiteraard niet mag: naar de regel van de FCI is nu eenmaal de standaard uit het land van oorsprong beslissend. Met de contstatering van deze regel is echter nog niets gezegd over de vraag, of, wat de hubertusklauwen betreft, de Franse standaard al dan niet juist is.
  3. In de eerste zes jaren van de aanwezigheid van het ras in de USA is er nog nooit door de hubertusklauwen een ongeluk ontstaan. De Franse boeren zouden zeker hebben ingegrepen als het kwaad gekund had. Ik wil graag geloven, dat de Amerikaanse eigenaren zeer goed voor hun honden ( laten) zorgen. Doch dit houdt nog niet in, dat de hond in moeilijke situaties geen last van zijn dubbele aanhangsels zou kunnen hebben. Wat de Franse boeren betreft, mijn vrouw en ik hebben bij hen te veel zorgeloosheid en nonchalance waargenomen om te kunnen aannemen dat zij in doorsnee optimale condities voor hun honden scheppen.
  4. Mrs. Crane is van mening, dat bij de Pyreneese Berghond vaak waargenomen en ongelukkig geachte tendens om de voeten naar buiten te draaien, juist hoort bij een ras, dat op berghellingen werkt, daar dit een rem vormt bij het afdalen. Inderdaad kan men bij het afdalen van een steile helling ( trouwens ook bij het beklimmen ervan!) het naar buiten draaien van de voeten van nut zijn. En ook is het zo, dat van de aanwezigheid van Hubertusklauwen een tendens tot dat naar buiten draaien uitgaat, omdat dit één van de methoden is waarmee de hond wil vermijden, dat die klauwen in elkaar haken. De hond heeft echter geen Hubertusklauwen nodig om zijn voeten naar buiten te keren als dat nodig is. De werkelijk steile hellingen zijn overigens in het gebied waar de hond werkt meer uitzondering dan de matige hellingen of de vrij horizontaal verlopende vlakten die voor zijn werk de regel vormen. Voor het gangwerk dat hij normaliter nodig heeft moeten de voeten van de Pyreneese Berghond niet naar buiten gekeerd worden, maar naar voren wijzen; iedere factor die daar tegenin gaat is geen vóór-doch een nadeel.
  1. De Pyreneese Berghond is voor een hond van zijn grootte, volgens Mrs. Crane, bepaald licht van bot en zou, zonder Hubertusklauwen, de indruk van spillebenen wekken. Hoewel de raspunten alleen t.a.v. de voorbenen de eis, dat zij krachtig zijn, stellen, geldt voor de achterbenen hetzelfde. Lichte botten zouden voor deze zware honden fataal zijn en dienen zonder meer afgekeurd te worden. De al dan niet aanwezigheid van Hubertusklauwen staat hier volledig buiten. De aanwezigheid zou alleen voor een heel slechte waarnemer de fundamentele fout van een licht bot kunnen verdoezelen.
  1. Het bestaan van Hubertusklauwen maakt, aldus Mrs. Crane, dat de hond achter wijd loopt om te vermijden dat ze in elkaar verward raken. Inderdaad is het wijdlopen één van de twee manieren waardoor de hond het in elkaar verward raken van Hubertusklauwen kan vermijden ( De andere: het naar buiten draaien van voeten, kwam hiervoor sub 6 ter sprake). Dat wijd gaan is echter geen deugd, doch een gebrek. Naarmate een hond sneller gaat, moet hij meer gaan snoeren, d.w.z.zijn voeten steeds meer op één lijn plaatsen. Het bestaan van dubbele Hubertusklauwen vormt voor een ideaal gangwerk duidelijk een negatieve factor.
  1. De aanwezigheid van dubbele Hubertusklauwen is internationaal vereist. Deel-neming van Amerikaanse honden zonder deze aanhangsels aan Europese tentoon-stellingen zou tot diskwalificaties leiden. Dit is helaas juist, doch het zegt uiteraard niets over de vraag of de Franse standaard de eis van dubbele hubertusklauwen terecht stelt.

Argumenten tegen

Zijn bij de hier bovenstaande ( vrijwel volledige) lijst van argumenten vóór, er geen overtuigende aangetroffen, voor de vorming van een definitief oordeel dient ook de argumentatie contra in beschouwing te worden betrokken. Het eerste felle betoog contra is afkomstig van prof. Boucht, dierenarts uit het jaar 1912 ( vermeld bij Sédir, pag.37 e.v. en – verkort- bij Luguet, pag.175 e.v.).

Hij spreekt van een sterk verervende anomalie, die overigens niet alleen bij de hond, doch bijv. ook bij de mens voorkomt. Nog onlangs is er in de pers een geval vermeld van een vrouw uit Botswana, die een kind had gekregen met 26 vingers en tenen. Bouchet spreekt van een banale factor, die geen raskenmerk behoort te zijn, daar zij bij een aantal rassen of soorten voorkomt. De Hubertusklauwen werken als een soort harpoen, waarmee de hond winkelhaken kan oplopen aan doornstruiken of scherpe grassoorten. Het is een zeer gevoelig lichaamsdeel.

“Laten wij de Hubertusklauw veroordelen uit humanitaire overweging”, concludeert Bouchet reeds in 1912.

 

Sindsdien is de discussie aan de gang gebleven. In 1948 heeft de Association des Cynologues et Canicalteurs Français een voorstel van de veterinaire hoogleraar Létrad ( vermeld bij Luguet, pag. 177 e.v. aangenomen, inhoudenden:

  1. “De Hubertusklauw heeft geen enkel nut, aangezien het een orgaan is zonder enige functie, men kan het als schadelijk beschouwen ( in het vlees groeiende nagels; mogelijkheid van verwondingen).
  2. Zij is nadelig met het oog op de handel met het buitenland.
  3. Esthetisch heeft zij geen enkele waarde en haar aanwezigheid blijkt dikwijls gekoppeld te zijn aan een weinig correcte stand van de achterbenen.
  4. Zij vormt slecht een gering kenmerk van waardering, niet waard om voor een werkelijke kenmerk als basis van zijn oordeel te dienen.
  5. Zij vervalst de selectie, want zij leidt ertoe om exemplaren te elimineren, die in ieder opzicht zeer goed zijn. Er bestaat geen enkel bewijs van een erfelijk verband tussen de aanwezigheid van de Hubertusklauw en “hoedende” kwaliteiten aangezien bij uitstekende rassen van schepershonden de Hubertusklauw niet wordt toegestaan.

Op grond van één en ander spreekt voornomende Association daarom de wens uit: “Dat de aan- of afwezigheid van de Hubertusklauw aan het achterbeen noch bij de selectie noch bij het keuren van de rassen waar deze bijzonderheid bestaat of tot nu toe nagestreefd werd in aanmerking zal worden genomen”.

Aan het bovenstaande zou ik nog willen toevoegen, dat, voor zover mij bekend, bij geen van de wilde caniden waar onze huishond min of meer nauw mee verwant is ( wolf, jakhals, vos, hyenahond) de Hubertusklauw voorkomt.

Overziet met hoe zwak – vriendelijk gezegd – de argumenten vóór en hoe sterk de argumenten tegen zijn, dan kan men slechts betreuren, dat zoveel standaards, de aanwezigheid van Hubertusklauwen eisen, vaak zelfs op straffe van diskwalificatie. De keurmeester op een tentoonstelling moet echter de standaard van de aan zijn oordeel onderworpen rassen handhaven. En de fokker, die zich beweegt binnen het raam van de officiële kynologie, moet daar rekening mee houden. Wat het onderhavige punt betreft, helaas.

 

De hierboven vermelde literatuur is:

Mrs. A.W. Crane, The Great Pyrenees, Boston, Mass.,USA, 1949.

Dr. M. Luguet: Les chiens de berger Français, Parijs 1970.

Sédir: Le berger de Brie, Bihorel-les-Rouen (S.I), 1927.

Het artikel: Hubertusklauwen pro en contra, inclusief de tekening, is overgenomen uit de Documentatiemap aspirant keurmeester Pyreneese Berghond en geschreven door Mr. K.V. Antal.

Het artikel is eerder verschenen in Pyremedium 1992, nr. 2, het clubblad van de NVLPH, de rasvereniging van de Pyreneese Berghond.

 

Beide foto’s zijn uit eigen archief.